Stemming box 3-wet uitgesteld: waarom vastgoed anders wordt belast dan aandelen en obligaties
De Eerste Kamer heeft op 1 juli 2026 de stemming over de Wet werkelijk rendement box 3 uitgesteld. Een meerderheid van de senaat wil eerst een novelle zien voordat zij definitief over het wetsvoorstel stemt. Daarmee verschuift de politieke besluitvorming richting Prinsjesdag 2026, terwijl het kabinet vasthoudt aan beoogde inwerkingtreding per 2028. Voor vastgoedbeleggers is nu al duidelijk dat direct vastgoed binnen het wetsvoorstel een andere fiscale behandeling krijgt dan effecten, maar de exacte uitwerking hangt af van de nog te publiceren novelle.
De stemming is uitgesteld: wat er op 1 juli 2026 in de Eerste Kamer is besloten
Op 1 juli 2026 heeft de Eerste Kamer besloten niet over de Wet werkelijk rendement box 3 te stemmen. Een meerderheid van de senaat wacht op een novelle, een apart wetsvoorstel waarmee de regering wijzigingen in het oorspronkelijke wetsvoorstel aanbrengt om politieke en juridische bezwaren weg te nemen. Een novelle doorloopt opnieuw de volledige parlementaire procedure: eerst de Tweede Kamer, dan de Eerste Kamer, die vervolgens beide documenten gezamenlijk kan aannemen.
De kritiek vanuit de senaat was breed en inhoudelijk. Senatoren stelden meer dan 500 schriftelijke vragen over het wetsvoorstel, waarbij grote twijfels bestonden over met name de heffing op niet-gerealiseerde winsten, dat wil zeggen waardestijgingen die op papier zijn opgetreden maar nog niet via verkoop zijn omgezet in liquide middelen. Staatssecretaris Eerenberg van Financiën verdedigde het wetsvoorstel, maar erkende dat op onderdelen aanpassingen noodzakelijk zijn.
De novelle wordt verwacht rond Prinsjesdag, die in 2026 valt op 15 september. Het kabinet gaat in de Nota naar aanleiding van het verslag van de Wet werkelijk rendement box 3, gepubliceerd op 24 april 2026, uit van inwerkingtreding van het nieuwe stelsel per 1 januari 2028, gekoppeld aan de presentatie van een volwaardig vermogenswinst systeem voor box 3 rond het Belastingplan 2029. Tot die inwerkingtreding blijft het huidige forfaitaire stelsel van kracht.
Waarom vastgoed een uitzonderingspositie krijgt binnen het wetsvoorstel
De kern van de Wet werkelijk rendement box 3 is het vervangen van het forfaitaire rendement, een wettelijk vastgesteld percentage dat losstaat van wat een belegger daadwerkelijk verdient, door belasting over het rendement dat een belastingplichtige werkelijk heeft behaald. Voor de meeste vermogensbestanddelen, zoals beursgenoteerde aandelen en obligaties, omvat dat werkelijk rendement zowel gerealiseerde opbrengsten (dividend, rente, verkoopwinst) als niet-gerealiseerde waardestijgingen (koerswinsten die nog niet zijn omgezet in cash).
Direct vastgoed valt buiten deze laatste categorie. Alleen vastgoed en aandelen in start-ups zijn voorlopig uitgezonderd van de belasting op niet-gerealiseerde waardestijgingen. Voor vastgoed betekent dit dat de jaarlijkse herwaardering van de marktwaarde niet in de heffingsgrondslag wordt opgenomen zolang het object niet is verkocht.
Staatssecretaris Eerenberg onderbouwde deze keuze met een drietal argumenten. Ten eerste spelen liquiditeitsproblemen een rol: een vastgoedbelegger die jaarlijks belasting zou moeten betalen over een papieren waardestijging, beschikt niet automatisch over de daarvoor benodigde kasmiddelen. Ten tweede is de jaarlijkse marktwaardebepaling van vastgoed minder eenduidig dan de beurskoers van een effect, wat leidt tot waardering onzekerheid en uitvoeringsproblemen voor de Belastingdienst. Ten derde erkent het kabinet het directe verband tussen vastgoedinvesteringen en de beschikbaarheid van huur- en bedrijfsruimte, waarbij een zware belasting op papieren waardestijgingen investeringen in dat segment kan afremmen.
Onder het wetsvoorstel worden voor direct vastgoed wel de huurinkomsten jaarlijks als gerealiseerd rendement in de heffing betrokken, en wordt een verkoopwinst op het moment van realisatie belast. De herwaardering van de waarde tussentijds blijft buiten de jaarlijkse grondslag.
Wat de uitzonderingspositie in de praktijk betekent voor de fiscale last op vastgoedinvesteringen
Het huidige box 3-tarief bedraagt 36 procent, een tarief dat in stappen is verhoogd van 30 procent in 2020. Dat percentage is bevestigd in de Nota naar aanleiding van het verslag van 24 april 2026 en wordt toegepast op het forfaitair vastgestelde rendement. Direct vastgoed valt in het huidige stelsel onder de categorie overige beleggingen, die een hoger forfaitair rendement kent dan spaargeld. Het forfaitaire rendement voor overige beleggingen weerspiegelt een gemiddeld verwacht rendement op deze categorie, niet de individuele opbrengst van een specifiek object.
Het verschil met het nieuwe stelsel tekent zich als volgt af. Onder het huidige forfaitaire systeem betaalt een vastgoedbelegger 36 procent over een wettelijk vastgesteld rendement op de totale waarde van het object, ongeacht wat het object daadwerkelijk heeft opgebracht. Onder het nieuwe stelsel, met de vastgoed uitzondering, betaalt diezelfde belegger 36 procent over de feitelijk ontvangen huurinkomsten, zonder dat tussentijdse waardestijgingen de grondslag verhogen.
Of de fiscale last per saldo daalt of stijgt, hangt af van de verhouding tussen het huidige forfaitaire rendement en het feitelijke huurrendement van het specifieke object. Bij een object waarvan het werkelijke huurrendement lager ligt dan het forfaitaire rendement dat nu wordt gehanteerd, resulteert het nieuwe stelsel in een lagere belastingdruk. Ligt het feitelijke huurrendement hoger dan het forfait, dan is de uitkomst omgekeerd. De verkoopwinst bij realisatie, die onder het huidige stelsel niet wordt belast omdat die niet tot het forfaitaire rendement behoort, wordt onder het nieuwe stelsel wel als belastbaar inkomen aangemerkt op het moment van vervreemding. Dit element verzwaart de fiscale last bij verkoop voor beleggers die onder het huidige stelsel een niet-belaste vermogenswinst realiseren.
Ten opzichte van effecten beleggers die wél jaarlijks worden belast op niet-gerealiseerde koerswinsten, is de vastgoedpositie gunstiger in die zin dat de waardestijging pas bij verkoop in de heffing wordt betrokken. Dit verschil in behandeling is een bewuste beleidskeuze, maar ook een punt van debat in de Eerste Kamer, waar vragen zijn gesteld over de rechtvaardiging van deze asymmetrie tussen vermogensbestanddelen.
Wat vastgoedbeleggers nu concreet kunnen verwachten tot en na Prinsjesdag 2026
Tot en met 2027 blijft het huidige forfaitaire box 3-stelsel gelden, met een tarief van 36 procent en forfaitaire rendements percentages per categorie. De Wet werkelijk rendement box 3 treedt, als het wetgevingsproces verloopt zoals het kabinet beoogt, niet eerder in werking dan per 1 januari 2028.
De komende maanden zijn politiek bepalend. De novelle, die de bezwaren van de Eerste Kamer op specifieke onderdelen moet adresseren, wordt verwacht rond Prinsjesdag op 15 september 2026. Na publicatie van de novelle moet de Tweede Kamer deze behandelen en aannemen, waarna de Eerste Kamer opnieuw aan zet is. Dit proces voegt een aanzienlijke onzekerheidsmarge toe aan de tijdlijn richting 2028.
De onzekerheden die nu nog openstaan, betreffen meerdere lagen. De exacte wettekst van de vastgoed uitzondering en de daarbij behorende overgangsbepalingen voor bestaande posities zijn nog niet definitief vastgesteld. In vergelijkbare stelselwijzigingen worden overgangsregelingen of eerbiedigende werking voor lopende situaties doorgaans opgenomen in de wettekst of de bijbehorende memorie van toelichting, maar de concrete vormgeving voor de Wet werkelijk rendement box 3 is nog afhankelijk van de novelle. Daarnaast is de politieke steun in de Eerste Kamer nog niet zeker: de meer dan 500 ingediende vragen illustreren dat meerdere fracties voorwaarden stellen waarvan de inhoud pas bij behandeling van de novelle volledig zichtbaar wordt.
Brancheorganisaties als VastgoedBelang en IVBN (Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed Nederland) volgen het dossier actief en hebben in eerdere fasen van het wetgevingstraject commentaar geleverd op de effectieve belastingdruk op huur vastgoed en de gevolgen voor de investeringsbereidheid. Hun definitieve positie ten aanzien van de novelle is afhankelijk van de tekst die het kabinet publiceert.
Wat de feiten samen laten zien
De uitgestelde stemming van 1 juli 2026 plaatst de Wet werkelijk rendement box 3 in een fase van politieke heronderhandeling. Het kabinet handhaaft de ambitie van inwerkingtreding per 2028, maar de weg daarnaartoe vereist een succesvolle behandeling van zowel de oorspronkelijke wet als de nog te publiceren novelle in beide kamers. De uitzonderingspositie van direct vastgoed, waarbij waardestijgingen pas bij realisatie worden belast en huurinkomsten als jaarlijks rendement in de heffing worden betrokken, is reeds als beleidsrichting vastgelegd maar juridisch nog niet definitief. De fiscale uitkomst voor vastgoedbeleggers ten opzichte van het huidige stelsel is niet uniform: die hangt samen met de verhouding tussen het individuele huurrendement en het huidige forfait, en met het moment en de omvang van toekomstige vermogens realisaties. Het contrast met de behandeling van effecten, waarbij niet-gerealiseerde koerswinsten wel jaarlijks worden belast, is een bewuste asymmetrie die politiek nog niet door alle fracties is aanvaard. De novelle rond Prinsjesdag 2026 zal duidelijk maken in hoeverre deze uitzondering in zijn huidige vorm stand houdt en hoe overgangsrecht voor bestaande vastgoedposities wordt vormgegeven.
Ontvang vrijblijvend informatie over de mogelijkheden
Ontvang de gratis gids met 13 alternatieven voor de lage bankrente, inclusief inzicht in rendement, zekerheid en risico.


+31 (0)20 54 737 10
info@sheldoninvest.nl
