Uitgelegd

Wat is box 3?

Box 3 is het deel van de inkomstenbelasting waarin uw vermogen wordt belast: uw spaargeld, uw beleggingen en uw overige bezittingen. Voor investeerders is het belangrijk te begrijpen hoe box 3 werkt, want het bepaalt mede wat u netto overhoudt aan een belegging. Op deze pagina leest u wat box 3 inhoudt, wat eronder valt, hoeveel u betaalt en hoe fictief en werkelijk rendement zich tot elkaar verhouden.

Wat is box 3?

Box 3 is het onderdeel van de inkomstenbelasting waarin u belasting betaalt over uw vermogen: spaargeld, beleggingen en overige bezittingen die niet in box 1 of box 2 vallen. U betaalt niet over het vermogen zelf, maar over een verondersteld rendement daarover. In 2026 is het tarief 36%.¹

In het kort:

  • Belasting op vermogen: box 3 heft over spaargeld, beleggingen en andere bezittingen — niet over uw inkomen uit werk.

  • Verondersteld rendement: u betaalt over een vooraf vastgesteld percentage, niet automatisch over uw werkelijke opbrengst.

  • Peildatum 1 januari: uw vermogen op 1 januari bepaalt de heffing voor het hele jaar.

De inkomstenbelasting kent drie boxen. Box 1 belast inkomen uit werk en uw eigen woning, box 2 inkomen uit een aanmerkelijk belang in een onderneming, en box 3 uw vermogen. Alles van waarde dat niet in box 1 of box 2 valt en niet expliciet is vrijgesteld, telt mee in box 3.

De officiële naam voor de heffing in box 3 is vermogensrendementsheffing: u betaalt belasting over het rendement op uw vermogen, niet over het vermogen zelf. Het bijzondere is dat de Belastingdienst tot en met 2027 rekent met een verondersteld rendement — een vooraf vastgesteld percentage — in plaats van met wat u werkelijk verdiende. Dit systeem staat al jaren onder druk. In het zogeheten Kerstarrest van december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat het belasten van rendement dat een belegger niet heeft behaald, in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.² Sindsdien is de regelgeving stapsgewijs aangepast en is een overgang naar heffing op werkelijk rendement in voorbereiding.

Wilt u eerst begrijpen wat rendement precies is en hoe u het berekent? Lees dan onze uitleg over rendement.

Wat valt onder box 3?

Onder box 3 vallen uw spaargeld, uw beleggingen (zoals aandelen, obligaties en fondsparticipaties), een tweede of verhuurde woning, vorderingen en contant geld boven een vrijgesteld bedrag. Kort gezegd: alle bezittingen van waarde die niet in box 1 of box 2 vallen en niet expliciet zijn vrijgesteld.

De Belastingdienst verdeelt uw box 3-vermogen over drie categorieën, elk met een eigen verondersteld rendement. De eerste categorie is banktegoeden: uw spaargeld en betaalrekeningen. De tweede categorie is overige bezittingen: hieronder vallen uw beleggingen, een tweede woning en andere vermogensbestanddelen. De derde categorie zijn uw schulden, die uw belastbare vermogen verlagen voor zover ze boven een drempelbedrag uitkomen. De categorie overige bezittingen kent het hoogste veronderstelde rendement, waardoor beleggingen zwaarder worden belast dan spaargeld van dezelfde omvang.

Een participatie in een beleggingsfonds die u privé aanhoudt, valt eveneens in box 3. Afhankelijk van de structuur van het fonds wordt ofwel de participatie zelf als bezitting meegeteld, ofwel worden de onderliggende bezittingen en schulden van het fonds naar rato van uw deelname aan u toegerekend. Hoe een specifiek fonds fiscaal wordt behandeld, hangt dus af van de fondsstructuur; dit staat beschreven in de fondsdocumentatie. Voor de meeste particuliere investeerders komt het erop neer dat de waarde van de participatie op 1 januari meetelt als box 3-vermogen.

Hoeveel belasting betaalt u in box 3 in 2026?

In 2026 betaalt u in box 3 een tarief van 36% over een verondersteld rendement op uw vermogen.¹ Dat veronderstelde rendement verschilt per categorie: 1,28% voor spaargeld en 6,00% voor beleggingen en overige bezittingen. U betaalt alleen belasting over het deel van uw vermogen boven het heffingsvrij vermogen.

De heffing verloopt in stappen. Eerst berekent de Belastingdienst het veronderstelde, het forfaitaire rendement, over uw bezittingen: een vast, vooraf bepaald percentage per categorie. Voor 2026 zijn dat 1,28% voor spaargeld en 6,00% voor beleggingen en overige bezittingen. De percentages voor spaargeld en schulden zijn voorlopig; ze worden na afloop van 2026 definitief vastgesteld op basis van de gemiddelde spaar- en kredietrente. Vervolgens trekt u het heffingsvrij vermogen af en past u het tarief van 36% toe op het resterende deel.

Stel: u heeft op 1 januari 2026 voor € 150.000 belegd, bijvoorbeeld in fondsparticipaties, en u heeft geen fiscale partner. Na aftrek van het heffingsvrij vermogen van € 59.357 resteert een belastbare grondslag. Over beleggingen rekent de Belastingdienst met het veronderstelde rendement van 6,00%, wat leidt tot een box 3-belasting van ongeveer € 1.958 — ongeacht wat uw belegging dat jaar werkelijk opbrengt. Valt uw werkelijke rendement lager uit dan het veronderstelde rendement, dan biedt de tegenbewijsregeling mogelijk uitkomst; daarover leest u verderop meer.

Let u op met het schuiven van vermogen rond de peildatum. Wie kort voor 1 januari beleggingen tijdelijk omzet in spaargeld om minder belasting te betalen, loopt tegen de regels rond peildatumarbitrage aan: verschuivingen binnen drie maanden voor en na de peildatum kunnen door de Belastingdienst worden aangemerkt als belastingontwijking en worden dan genegeerd.

Hoeveel vermogen is vrijgesteld in box 3?

In 2026 is een vermogen tot € 59.357 per persoon vrijgesteld in box 3 — voor fiscale partners samen € 118.714.¹ Dit heet het heffingsvrij vermogen: over dit bedrag betaalt u geen belasting. Alleen het vermogen daarboven telt mee voor de heffing.

Het heffingsvrij vermogen is in 2026 iets hoger dan in 2025, toen het € 57.684 per persoon bedroeg. Het kabinet was aanvankelijk van plan de vrijstelling te verlagen, maar dat voornemen werd eind 2025 teruggedraaid. Naast deze algemene vrijstelling gelden er specifieke vrijstellingen, bijvoorbeeld voor groene beleggingen (in 2026 tot € 26.715 per persoon, in de jaren daarna afgebouwd), voor contant geld tot een beperkt bedrag en voor lijfrentes en bepaalde kapitaalverzekeringen.

Voor investeerders met een groter vermogen is een nuance van belang: het heffingsvrij vermogen verliest snel aan betekenis naarmate het vermogen toeneemt. Bij een vermogen van enkele tonnen of meer wordt het overgrote deel gewoon belast, en drukt vooral het hogere veronderstelde rendement op beleggingen op de effectieve belastingdruk.

Wat is het verschil tussen fictief en werkelijk rendement in box 3?

Fictief rendement is het veronderstelde rendement waarmee de Belastingdienst rekent; werkelijk rendement is wat u daadwerkelijk op uw vermogen behaalt. Sinds arresten van de Hoge Raad mag u, als uw werkelijk rendement lager is dan het fictieve, belasting betalen over dat lagere werkelijke rendement. Dit heet de tegenbewijsregeling.

De tegenbewijsregeling geldt vanaf belastingjaar 2021. Vanaf belastingjaar 2025 is zij geïntegreerd in de reguliere aangifte inkomstenbelasting; voor de jaren 2017 tot en met 2024 gebruikt u het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement. Bij het aantonen van uw werkelijke rendement gelden strikte regels. U telt zowel het directe rendement mee, rente, dividend en huurinkomsten, als het indirecte rendement, oftewel de waardestijging of -daling van uw beleggingen en vastgoed. Ook een niet-gerealiseerde waardestijging telt mee: een belegging die in waarde is gestegen maar die u niet heeft verkocht, verhoogt dus uw werkelijke rendement. Bij de tegenbewijsregeling geldt bovendien géén heffingsvrij vermogen, en de keuze om het werkelijke rendement aan te geven geldt voor uw hele box 3-vermogen, niet voor losse onderdelen.

Voor beursgenoteerde beleggingen pakt dit vaak anders uit dan investeerders verwachten. Doordat koersstijgingen meetellen, is het werkelijke rendement in een goed beursjaar regelmatig hóger dan het fictieve rendement, waardoor de tegenbewijsregeling niets oplevert. Bij een belegging met een vooraf contractueel vastgelegd rendemen, zoals een obligatie of een fondsparticipatie met een vaste rente, weet u daarentegen bij aanvang wat uw opbrengst is. Dat maakt uw werkelijke rendement voorspelbaar en de vergelijking met het fictieve rendement eenvoudiger en transparanter.

De huidige tegenbewijsregeling is een overgangsmaatregel. Het kabinet streeft ernaar per 1 januari 2028 een nieuw stelsel in te voeren waarin standaard het werkelijke rendement wordt belast. Meer over de achtergrond leest u in onze uitleg over fictief rendement en over werkelijk rendement.

Gepubliceerd op 17 juli 2026 

Bronnen

  1. Belastingdienst, Hoe is het box 3-inkomen op mijn voorlopige aanslag 2026 berekend?

  2. Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2021:1963 (24 december 2021, het "Kerstarrest")

Veelgestelde vragen

Wat is box 3?

Box 3 is het deel van de inkomstenbelasting waarin u belasting betaalt over uw vermogen, zoals spaargeld en beleggingen.

In 2026 geldt een tarief van 36% over een verondersteld rendement op uw vermogen boven het heffingsvrij vermogen van € 59.357 per persoon.

In 2026 is € 59.357 per persoon vrijgesteld, en € 118.714 voor fiscale partners samen.

Een fondsparticipatie die u privé houdt, valt in box 3 als belegging en wordt belast tegen het forfaitaire rendement voor overige bezittingen, tenzij uw werkelijke rendement lager is.

Ontdek 13 beleggingscategoriën in één gids

Ontvang de gratis gids met 13 alternatieven voor de lage bankrente, inclusief inzicht in rendement, zekerheid en risico. Voorbeelden zijn hypotheekobligaties, vastgoedgondsen, crowdfunding en crypto. 

Gids aanvragen
Je dient akkoord te gaan met het privacybeleid.
{{uiState.feedback.brochureRequest.msgFeedback}}